
De meeste private equity-bedrijven verliezen geen geld op slechte deals, geld word verloren op deals die er op het eerste gezicht redelijk uitzagen.
Er is misschien een proces voor het najagen van een targer. Maar zelden bestaat er een kader om te beslissen of het najagen van zo’n target überhaupt de moeite waard is. Die kloof, tussen het identificeren van een target en de gestructureerde beslissing om er middelen aan te besteden, is waar het meest vermijdbare verlies in private equity ontstaat. Niet door slechte uitvoering. Niet door mislukte integratie. Maar door het ontbreken van een helder, vooraf afgesproken antwoord op een vraag die alles voorafgaat: verdient deze deal onze tijd?
De bedrijven die beter presteren op “deal economics” zijn niet degenen die de meeste deals sluiten maar zij die wel de juiste deals nastreven.
Waarom PE-bedrijven structureel te veel targets nastreven
Voordat je een kwalificatiekader opbouwt is het nuttig te begrijpen waarom de meeste bedrijven er nog geen hebben. De reden is niet nalatigheid maar hoe incentives werden opgesteld.
Private equity is structureel gericht op deployment. Management fees groeien mee met geïnvesteerd kapitaal. Carried interest materialiseert alleen als deals worden gesloten. De professionals die het meest worden beloond zijn degenen die transacties over de streep trekken. In die context is de reflex op elk niveau van een deal team om redenen te vinden om door te gaan, niet om te stoppen. Het systeem beloont vroeg nee zeggen niet, het beloont laat gelijk hebben. Een veelbelovende CIM wordt een model en een model wordt managementgesprekken. Vervolgens worden gesprekken een LOI. En tegen de tijd dat de LOI er ligt, heeft de sunk cost-logica de strategische logica overgenomen.
Dit is geen karakterfout maar een rationele reactie op hoe de sector is gestructureerd. Maar het betekent dat de vraag "moeten we dit nastreven?" zelden dezelfde rigeur krijgt als "hoe waarderen we dit?" De eerste wordt beantwoord door enthousiasme. De tweede door proces.
Onderzoek naar escalation of commitment toont consistent aan dat besluitvormers die persoonlijk verantwoordelijk zijn voor een initiële investering, significant vaker doorgaan na negatieve signalen dan mensen die er niet bij betrokken waren. In een dealcontext is de partner die een target heeft geïntroduceerd, zelden de meest objectieve persoon om het te stoppen.
Een deal volgen versus er commitment aan geven
Een van de meest praktisch nuttige onderscheidingen in deal sourcing is er een die de meeste bedrijven nooit expliciet maken: het verschil tussen een target monitoren en beslissen om het ook actief na te streven.
Monitoren is goedkoop, continu en omkeerbaar. Het betekent een bedrijf in de gaten houden, de financiële evolutie volgen, veranderingen in eigenaarschap, managementbewegingen, sectorontwikkelingen. Het vereist geen tijd van de partner zelf, geen formeel proces, geen adviseurs. Het is een watchlist, geen workstream.
Een target echt najagen is fundamenteel anders. Het betekent analystcapaciteit inzetten, contact initiëren, een financieel model beginnen, juridische of externe adviseurs betrekken. Zodra die commitment is gemaakt, verandert de psychologie van de deal. Het target voelt plotseling echt en het team raakt betrokken. En vanaf dat moment is het besluitvormingsproces niet langer neutraal.
Het probleem is dat de meeste bedrijven van de ene naar de andere kant van die beslissing glijden zonder een bewuste trigger. Een target schuift van de watchlist naar een actief proces, niet omdat er een gestructureerde go-beslissing werd genomen maar omdat iemand enthousiast was in een maandagochtend pipeline meeting en de machine begon te draaien. Op dat punt wordt de deal niet meer geëvalueerd maar voortgezet. De meeste bedrijven verliezen geen maanden op duidelijk slechte deals. Ze verliezen die op de plausibele, de targets die er bij eerste inzicht redelijk uitzagen en nooit formeel ter discussie zijn gesteld. Het gevaar is niet dat een deal er fout uitziet. Het is dat hij er net goed genoeg uitziet.
Nu de hoeveelheid dry powder bij PE-fondsen aanzienlijk blijft ondanks recente inzet, versterkt de druk om actief te lijken dit verder. De gemiddelde PE-investeerder bekijkt circa 80 opportuniteiten voor elke investering die wordt gedaan. De filtering moet ergens plaatsvinden. De vraag is of dat vroeg en bewust gebeurt, of laat en bij gebrek aan beter.
Hoe een echt kwalificatiekader eruitziet
De reflex, wanneer gevraagd om kwalificatiecriteria te definiëren, is een checklist produceren: sterke EBITDA, verdedigbare marktpositie, clean ownership. Dat klopt, maar het volstaat niet. Elk bedrijf heeft een versie van die lijst. De bedrijven die beter kwalificeren, doen structureel iets anders.
Zij onderscheiden de afwezigheid van negatieven van de aanwezigheid van positieven.
De meeste deal screening is gebouwd rond eliminatie: faalt dit target op een van onze filters? Als nee, gaat het door. Die logica klinkt rigoureus, maar betekent dat een deal diep in een proces kan driften omdat er nog niets mis is gegaan, niet omdat er een overtuigende reden is om er te zijn. De lat wordt nooit een test falen, in plaats van er actief een halen.
Een echt pursuit framework vereist positieve redenen om commitment te geven. Drie invalshoeken zijn de moeite waard:
1. Strategische fit
Is dit het juiste type asset op het juiste moment in de fondscyclus? Niet alleen "past het in ons mandaat" in de brede zin, maar weerspiegelt dit specifieke target, op deze specifieke omvang en fase, waar het bedrijf echte expertise heeft? Deals waarbij een bedrijf echte sectorkennis, een relevant netwerk en een geloofwaardige value creation thesis meebrengt, presteren anders dan deals waarbij het vakje werd aangevinkt maar de overtuiging dun was. Het mandaatcheck en de edge-check zijn niet dezelfde vraag.
2. Structurele helderheid
Voordat je commitment geeft aan het najagen van een target moet een deal team basisvragen kunnen beantwoorden over wat ze eigenlijk kopen. Wie zijn de echte beslissers? Hoe ziet de eigendomsstructuur eruit als je die correct in kaart brengt, niet alleen de headline, maar dochterondernemingen, holdingentiteiten, uiteindelijk begunstigden, andere participaties? Wat toont de financiële evolutie als je verder kijkt dan de EBITDA naar cash flow, werkkapitaalbeweging en de prestaties over drie of meer jaar? Dit zijn geen due diligence-vragen maar pre-target basiscontrole. De antwoorden moeten beschikbaar zijn voordat een model wordt gebouwd, niet halverwege ontdekt worden.
3. Stakeholderalignment
Een deal kan er investeerbaar uitzien totdat de eigendomsstructuur een familieaandeelhouder met vetorecht onthult, of een oprichter wiens tijdlijn niets te maken heeft met die van jou. Een distressed aandeelhoudersstructuur creëert andere dynamieken dan een geconsolideerde. We hebben allemaal targets gezien waarbij de key numbers in orde waren maar de menselijke extra touch het proces onwerkbaar maakte lang voordat due diligence begon. Die laag vroeg begrijpen, verandert of je überhaupt doorgaat, niet alleen hoe.
Waarom het financieel model het verkeerde startpunt is
In de meeste bedrijven is het financieel model de plek waar het kwalificatieproces feitelijk begint. Een target ziet er interessant uit, iemand bouwt een model, en vanaf dat moment voelt de deal echt. Het team is betrokken. Het IC-deck neemt vorm aan. Wat een vraag had moeten zijn, wordt een aanname. En eenmaal op zijn plaats wordt die aanname zelden nog uitgedaagd.
Het model is het verkeerde instrument voor dit moment. Het is gebouwd om te beantwoorden "wat is dit waard en hoe structureren we het". Die vraag heeft pas zin als de beslissing om na te streven al is genomen. De vraag die eerst moet komen is directer: weten we eigenlijk genoeg om te beginnen?
Dat betekent weten of de financiële evolutie van de afgelopen drie jaar het verhaal in de CIM ondersteunt, of het stilletjes tegenspreekt. Het betekent begrijpen wie het bedrijf bezit en of de structuur is wat ze lijkt. Het betekent een basisinzicht hebben of de betrokken mensen willen wat jij wilt. Dit is geen diligence. Met de juiste data is het meeste hiervan in uren bereikbaar.
Tegen de tijd dat een model circuleert, stelt vrijwel niemand in de kamer nog de vraag of het proces zou moeten bestaan. Accenture's 2025-onderzoek naar PE due diligence stelde vast dat 83% van de PE-leiders zegt dat hun aanpak aanzienlijke ruimte voor verbetering heeft, met drie op de vier die aangeven dat investeringen de afgelopen vijf jaar complexer zijn geworden. Dat maakt het minstens zoveel een screeningprobleem als een diligenceprobleem.
Het model moet een bevestigingsinstrument zijn, geen ontdekkingsinstrument. De meeste bedrijven gebruiken het als beide.
Een drieledig pursuit framework
Het doel van een pursuit framework is niet om meer deals te stoppen. Bedrijven die te weinig nastreven, missen kansen net zo zeker als bedrijven die te veel nastreven, middelen verspillen. Het doel is om impliciete, door enthousiasme gestuurde pursuit-beslissingen te vervangen door expliciete, criteria-gestuurde beslissingen.
Een praktische versie heeft drie stadia.
- Een monitoring drempel: welke signalen zouden een team ertoe brengen een target überhaupt te gaan volgen?
- Een target trigger: aan welke voorwaarden moet zijn voldaan voor een target om van watchlist naar actief proces te gaan?
- Een commitment gate: kan het team, voordat een model wordt gebouwd of een adviseur wordt geïnformeerd, strategische fit, structurele helderheid en stakeholderalignment bevestigen op basis van beschikbare informatie?
Elk stadium moet worden opgeschreven. Niet als bureaucratie maar als een mechanisme dat het team dwingt specifieke vragen te beantwoorden voordat momentum hen vooruitdrijft.
De eerlijke kanttekening is dat de meeste bedrijven die dit proberen te formaliseren binnen enkele maanden terugvallen. Het framework wordt geschreven, afgesproken en stilletjes omzeild de eerste keer dat een partner enthousiast is over een target. Het moeilijkste is niet het ontwerpen ervan. Het is een partner ertoe brengen het te gebruiken op een donderdagmiddag als ze ervan overtuigd zijn iets goeds gevonden te hebben.
De vraag is niet of de deal kan slagen. Het is of er voldoende positief bewijs is, op dit moment, om de kosten van uitzoeken te rechtvaardigen.
De meeste bedrijven stellen de eerste vraag. De beste bedrijven stellen de tweede. En de bedrijven die de kloof tussen die twee vragen echt hebben gedicht, zien er van buitenaf uit alsof ze gewoon betere deal-intuïtie hebben.
Van buitenaf lijkt het betere intuïtie.
Dat is het niet, het is discipline op het moment waar de meeste teams die uitzetten.
Hoe dit in de praktijk toe te passen
Voor deal teams die actief zijn in de Benelux en Europese markten, waar het universum van potentiële targets in de miljoenen loopt, moet de monitoringlaag breed en goedkoop zijn. De target pursuit-laag moet smal en goed onderbouwd zijn. De kloof tussen de twee, het moment waarop een target van een regel in een database naar een actieve workstream beweegt, is waar het framework zijn waarde bewijst.
Het meeste van de informatie die nodig is om die beslissing te nemen, is beschikbaar voordat het proces begint: financiële evolutie, eigendomsstructuur, sleutelbeslissers, vroege waarschuwingssignalen.
Het probleem is niet toegang. Het is timing.
Een deal die de moeite waard is om na te streven, is niet één zonder zichtbare problemen. Het is er één waarbij de positieve case duidelijk is, de structuur begrepen is en de betrokken mensen willen wat jij wilt. Die combinatie is zeldzamer dan ze eruitziet in een pipeline. De bedrijven die haar vroeg kunnen identificeren en al het andere sneller kunnen loslaten, zijn degenen die de economie van deal sourcing laten werken.
Vond je dit interessant? Lees dan De deal die het niet waard was of bekijk ons webinar Waarom bedrijven middelen verspillen aan deals die niet doorgaan


